het wondere zijn van zezein
Het wondere zijn van Zezein:
Een verhaaltje over het leven en het overleven.
I. Ondergang
II. Donker
De kluizenaar
De goede fee
De eerste Vrouw
Het grappige konijn
Het verloren zieltje
De zwarte tunnel
III. Licht
De poort tot het Rijk der beelden
De lieve, Scheppende Vrouw
De goede reus
De mooie Vrouw
IV. Wondergang
Deel I/ Ondergang
Met haar gaan is ook mijn zijn in gevaar. Betrapt door z’n eigen geweten zweeg Zezein plots. Ook zij zei niets meer. Roerloos lag ze daar; omringd door bloedrode rozen, haar afwezigheid beklemtonend.
Bij het strelen van zijn herinneringen prikte Zezein z’n vinger aan één van de talloze doornen, die als het ware de pronkerige aantrekkingskracht van de roos heel scherp accentueren.
Pijnlijk uit de dagdroom gewekt herscheen de harde realiteit onomwonden aan zijn ogen: omhuld in rozenschijn, een stervende ster.
Sterrenstraal trof hem recht in het hart; in het centrum van z’n zijn, daar trof de schijn Zezein –als een bliksemschicht!
En bevend van het sentiment, zo trilden ook Zezeins stembanden mee; en volgend treurlied verliet dof deinzend zijn droge lippen:
O Sophia, godin der wijsheid;
Van jou heb ik de kennis;
Het fijnste aller graan;
Maar graan is voer voor vogels;
Ver moet je niet gaan,
Om het té ver- zijn te betreden.
Met zoete honing heb je mij gelokt;
Om slechts jouw Zelf te vinden.
O Sophia, godin der wijsheid;
Jij listige honingbij;
Je stak me met jouw angel;
Op het tipje van m’n tong;
Nu ga je zelf ten onder;
Giftige drang der lustigheid;
Heel zeker: heuse bijenmoed.
O Sophia, godin der wijsheid;
Van alle apen, maakte je mij de beschaafdste.
De aap der apen, gapend naar de na- gapers.
Twee zijdes aan weten!
Zijn we hoeders, veeleer de schapen?
O Sophia, godin der wijsheid;
Jouw gif moet ik nu spuwen.
Waar de rozen me leiden;
Die weg zal ik gaan.
De angels en de doornen;
Schermers van de schijn.
Zij tonen mij hun meesters;
Wie ze werkelijk zijn.
Goede schermers kunnen steken;
Schoonheid kan niet zonder pijn!
O Sophia, godin der wijsheid;
Waar voert jouw gift mij heen?
Kan ik jouw geschenk wel dragen;
Over gelaten, heel alleen?
Moét ik niet kunnen vliegen;
Glijden langs regenbogen?
Moet ik jou spuien met de mond;
Lanceren met mijn ogen?
Zijn er wel oren om te luisteren?
Jouw stilte maakt mij bang;
Té groots om te aan-horen.
O Sophia, niet te lang…
Daar stond Zezein dan, de goddeloze. Het loze vissertje, aan een vijver zonder vissen; enkel een zwarte, onrustig kolkende massa: de diepe, zware druk van z’n gemoed.
Hij richtte zijn blik op Garuda, nu z’n enige metgezel; een reusachtige arend die hij had afgericht om konijnen te jagen. De sombere blik kwam uit de verstarde ziel en drong zich dwars door Zezeins blauwe pupillen, om dan te kruisen met de blik die uit de gele roofvogelogen verscheen. De gigantische vogel opende z’n vleugels en zweefde tegen de stralen van het menselijk blikveld in, om zacht op Zezeins linkerschouder neer te strijken. De beide blikken werden één; of, beter, ze vielen samen; het bereik van de arendsblik bleef superieur.
Het uitgestrekte Stille woud hier voor onze ogen, dit moeten we doorkruisen; sprak Zezein uiteindelijk; aan de andere kant, daar wacht m’n lot op ons. Morgen, met de eerste droppel dauw, dan begint onze grote overtocht.
En de nacht viel over de rozenheide, de hemel was open en vervuld van sterrenschijn; het zwarte wateroppervlak van het kleine meer weerkaatste het licht van de maan, en reflecteerde aldus de schijn van de reflectie van het zonlicht. De zon zelf, doch, die was op dit moment ver weg van Zezein.
Deel II/ Donker
De kluizenaar
Tot de aarde hebben godinnen altijd al behoren, tot aarde zijn ze weer gegaan…
De eerste zonnestralen weerkaatsten op het blauwe water; bedauwde rozenknoppen ontloken. Zezein sidderde even, schudde toen het stof van z’n groene gewaad, en riep zijn metgezel bij hem.
Vanaf heden ben jij m’n reisgenoot, aldus sprak hij de arend met hernieuwde moed en vol van verwachting toe; en ze begonnen hun lange tocht door het onmetelijke Stille woud.
Twee volledige dagen hield het woud zijn naam in ere; de twee reizigers schoten goed op in de koelte van de schaduw, onder het dichte bladerdek. Op de derde dag merkte Zezein plots dat Garuda hoogst onrustig werd; en zag een cobra die hem vanuit een holle boomstam toe lag te sissen.
z-z-Zezein, jij dwaas, mens; zijn poten dan maar zo snel? Veel te lang hier wacht ik al, op wie zijn grens niet kent.
Jij wijze slang, reageerde Zezein, wat lig jij hier met jouw schubbige lijf onze doorgang te versperren? Garuda krijste op ditzelfde ogenblik vervaarlijk in de richting van de cirkelende, hypnotiserende ogen.
z-z-Zezein, ik wil de weg naar jouw lot wijzen; zo siste de gespleten tong terug.
Toen kon Garuda zich niet meer inhouden, en de roofvogel stortte zich overgelaten op de listige cobra. In één vlotte beweging greep de machtige arend de sluwe slang achter de kop en sleurde deze uit haar muffe boomholte. Met slechts enkele krachtige vleugelslagen hezen de klauwen hun prooi mee tot buiten het veld van Zezeins blik.
Stilte voor de storm…
Enkele ogenblikken later weerklonk een luide, angstige mensenkreet. Behoedzaam bewoog Zezein zijn lichaam in de richting van de geluidsbron. Behendig manoeuvreerde hij z’n ledematen over een hoop boomstammen, die onder de storm waren gesneuveld. Hierachter ontpopte zich een kleine open vlakte, alsof bomen daar niet konden groeien; een laatste niet- inneembare vesting van het Licht in het Rijk van de duisternis; als een opening waarlangs de rust in het woud werd gestemd.
De orde hier dan op zijn kop gezet door een grijzige soortgenoot die, in het midden van deze lichtoase, woest stond te grommen; hierbij wild om zich heen slaand met de vuisten, hard stampend met de bare voeten. Waarlijk ontluisterend: een heilige stond heiligschennis te plegen. En voor die waanzinnig dansende voeten, daar lag de versufte slang.
Hoog in de lucht had de cobra Garuda met een schijnbeweging verschalkt en toen ze de arend dreigde te wurgen, had de roofvogel haar van zich afgeworpen. En net op het moment dat de jager zich voor de tweede keer op zijn prooi wou laten vallen, riep zijn meester hem bij naam: Garuda, kom hier, jij woeste krijger! Want Zezein hield van alle dieren. Toen richtte hij het woord tot het dier dat tot zijn soort behoorde, de gebaarde, woest gebarende kluizenaar voor zijn neus.
Vergeef mijn vogel, hij moet niets van slangen. Ze symboliseren voor hem het Kwaad, een heel eigenaardig trekje.
Het gegrom veranderde in de ijle lucht plots tot een vriendelijk gorgelen; als een bronnetje dat weldra zou uitdrogen; de volgende onzin vloeide eruit: wie kan het jouw vogel ook kwalijk nemen, vertroeft hij dan ook niet in hogere sferen? Dichter dan ons, mensen, vliegt hij bij de oorsprong, bij het Eerste, het Ene, mijn hemels licht!
Hij gelooft niet aan de Hemel; aldus nam Zezein het woord opnieuw van de oude man af. Ik ken hem al van ei-af-aan, mijn arend; altijd zijn z’n scherpe ogen op de aardbodem gericht. Of anders op zijn hoeder, of op de slang die hij zonet voor jouw lange tenen wierp. Dat laatste is dan ook het enige mythische aan heel het ‘zijn’ van mijn beest. Voor de rest is hij in volstrekte harmonie met zijn thuis. Aardser is hij dan wij, die hem lokken, vangen en africhten. Aardser is hij dan wij, mensen, die hem ont-aarden! En vertel mij dan: wat zijn wij, indien geen aardwormen?
Een nieuwe gemoedsverandering uitte zich op het gezicht van Zezeins tegenspeler; het was zover: de bron droogde uit. Spreken wou hij nog, maar zijn woekerende gelaatsbegroeiing was in een warrige knoop geraakt bij het begeleiden van al die veranderende gelaatsuitdrukkingen. Bij het openen van de snater knapte de haarklos, die de kluizenaars snor als een brug van samengeklit haar over de mond heen verbond met zijn baardzone. Verder dan een verontwaardigde Iiih, gevolgd door een pijnlijke Aaah, reikte het vertoog niet.
I-A! Waarachtig, ezels zijn wij! Zo dacht Zezein. Maar wat is daar op tegen? Tenzij ze natuurlijk briesen en blazen zoals het exemplaar hier voor me.
Hier; neem deze tak om de pijn op te verbijten, straks knapt ook jouw spuwende tong nog, een zonde zou het zijn. Zezein bood de grijsaard een ferm stuk –wellicht door eekhoorns ontschorst- eikenhout aan. Want geven is beter dan nemen!
Niet of nauwelijks onder de indruk van Zezeins gebaar nam de knokige kluizenaar de tak in ontvangst en hij sloeg er terstond, in een paar welgemikte harde meppen, het serpent voor z’n veel te lange tenen mee naar de hellepoorten; als dacht hij hiermee de oorzaak van het hem aangedane onrecht teniet te doen.
Misnoegd door de vertoning keerde Zezein zich om, en samen met zijn trouwe metgezel werd de missie hervat. Nee, van deze mens heb ik niets te leren, zo sprak hij tot Garuda; en hij streek de arend even met de vingers over de kop.
De goede fee
Iets was veranderd. Het Stille woud was nog wel donker; doch er ging geen inktzwarte mist meer, ‘t was veeleer: donker- blauw…
Het kon Zezein voorlopig niet deren. Zijn gedachten dwaalden voorlopig nog even bij de spaak gelopen langverwachte ontmoeting van zonet. Misschien was dat wel het probleem: hij was te hoopvol geweest, had veel te veel verwacht.
O, wat was dat toch met zijn hoop?
O Zezein, wat roep je mij?
Zezein wist aanvankelijk niet precies wat er gebeurde; hij deed dan maar alsof.
Enkele stappen nog van zich verwijderd had een jonge toverfee hem net aangesproken vanuit een diepblauwe wazige schijn, die met zijn gedimde gloed toch fel contrasteerde tegen de donkere achtergrond. Als een smeulend gewaad sluierde het blauwe licht de jonge nimf; en ze straalde deze kleurtint over het schimmige woud uit. Zezein werd zich nu volledig bewust van de magische metamorfose die zijn omgeving had ondergaan: het Stille woud was herschapen tot een Stille oceaan.
Dag goede tovenaarster. Wat drijft jou uit het heelal tot op dit zompige tranendal?
Mijn wind komt jouw schuit de goede kant uit blazen; O, jij bewolkte geest. Mijn tranen zullen het schip naar goede oorden drijven. Kom, ik toon je jouw plaats in de wereld.
Jouw lucht is niet zuiver, goede fee; jij bent geen wind voor mijn zeilen.
Het is niet ‘ik’ die nog mijn plaats in de wereld moet zoeken; de wereld moet nog een plaats vinden binnen in Zezein. Elke mens is zelf zijn eigen grens. Hij moet ze alleen maar zien op te sporen; en ze dus allereerst willen vinden. En dan, als de plattegrond in kaart is gebracht, kan hij zijn grenzen overschrijden; achterom kijken, en zichzelf bewonderen.
Na deze woorden was het een tijdje stil. Vier roofdierogen waren tijdens dit geruisloze ogenblik nooit afgewend van het toverstafje; dat de goede fee als een dolkje vervaarlijk voor zich uitcirkelde, in een steeds onregelmatiger tempo. Het stokje gaf op die manier de illusie dat het zijn vastheid had verloren; als een onrustig donker serpent kronkelde het zo temidden van de diepblauwe gloed. De brute natuurlijke kracht van het instinct maakte abrupt een einde aan de goochelshow, toen Garuda zich de nek strekte en zijn scherpe bek het magische stafje twee- deelde. Zelfvoldaan keek de arend om zich heen: alweer een kwaad uit de wereld verholpen.
Vergeef hem zijn vergissing, zo verontschuldigde Zezein zich. Maar is het niet net jouw kunst om mensen te misleiden? Welaan, goede fee, neem jouw wonderen terug mee naar het hemelgewelf. Aardbewoners hebben genoeg aan het wonder van zichzelf. De wetenschap verklaart het zijn van de wereld. De wereld op zich, die verklaart het zijn van de mens. Goed, dat ben je heel zeker, te goed lijk je zelfs. Blijf ons zoete dromen schenken. Maar laat het dromen blijven, jij wondermooie elf.
En donkerblauw werd opnieuw zwart. De fee was verdwenen; de nacht nam de leegte in die ze naliet.
Zezein installeerde zich op de open plek waar de toverfee tot hem was verschenen; hij trok zijn schapenlederen dekentje tot aan zijn kin; en tuurde in de hoge, diepe duisternis. Er stonden opvallend weinig sterren, maar één trok onafwendbaar alle aandacht. Een donkerblauw hemellichaam dat als een druppel uit de donkere hemel leek te vallen. Daar blonk een aanzwellende traan; een fonkelende zee op weg om zich over de aarde uit te storten.
De donkere kleurbaan rond de vuurzee veroverde gestaag het heelal. Toen vervormde de baan zich plots tot vier langgerekte diepblauwe pijlen die elk in één der windrichtingen werden gelanceerd; als vier watervallen die het glinsterende sterrenstof over de gehele kosmos uitstortten. Eén totaal verstomde blik van Zezein later ontplofte de vurige kern; waardoor het heel even middag werd om middernacht. Alle woudbewoners waren hierdoor zo van hun melk, dat het Stille woud ten andermaal werd herschapen, nu tot een wilde stal.
Supernovae, O stervende Ster. Zezein, zelf ook sterveling; hij lag daar sprakeloos zijn ogen uit te staren van op zijn rumoerige planeet. Sterk onder de indruk, haast plat gedrukt: zo sterk.
Toen stond de tijd stil.
Eén blik maar; vervolgens liep hij achterstevoren terug. De implosie van de blauwe vuurbol deed Zezein even vrezen dat hij, met de planeet ‘aarde’ en al, het donkere heelal zou worden ingezogen; maar het fenomeen nam redelijk snel af in kracht; de ster zocht uitgedoofd, haar diepe graf. Het was hem aanvankelijk toegeschenen alsof de ster zich had bedacht, en haar stof opnieuw opeiste. Maar hoe Zezein ook naar evidentie zocht om deze denkweg te kunnen staven; zijn ogen vonden geen zonnetje meer op de plaats waar het wonder zijn oorsprong en afloop had gekend. Daar was, als een blinde worm, enkel nog het grote ‘niets’; en dat is ook ‘iets’: de zwarte tunnel naar het licht, dat nimmer van binnen uit kan worden verkend.
De rust keerde in het woud terug, de stal werd weer stil. Zezein bleef nog een eindje doorkauwen op het wonder dat zonet, in slechts enkele blikken, aan zijn ogen was verschenen.
De goede fee; zo moest hij toegeven; groot in haar ongelijk, groots is haar gelijk…
Voor het eerst in lange tijd mocht hij toen genieten van een zalige nachtrust.
De eerste Vrouw
Zezein opende zijn blauwe kijkers en staarde pal in de vertrouwde felgele arendsogen van zijn gevleugelde gezel. Daar zat de vrijheid; vervuld van ongeduld, wachtend op een bevel. ‘Zijn’ betekent ‘bezig zijn’; leven is werken, werken is leven; aldus hervatte de missie zich in een tel.
Beider opluchting was groot toen ze, na korte tijd wandelen, de laatste wortels van de majestueuze meesters van dit statische woud konden bespeuren. En zo bereikte Zezein de savanne.
Maar voor hij deze uitgestrekte vlakte zou betreden, beval hij Garuda om hem eerst met de scherpe bek van al zijn haargroei te ontdoen; het zou zijn laatste apenstreek worden, zo nam de mens zich voor. En spiernaakt zette hij aldus voet op de bodem waarvoor hij was geschapen.
Deze nieuwe wereld overviel hem in het begin een beetje; nog nooit had hij zo ver kunnen zien, en de vergezichten schonken hem een opvallend veilig gevoel. Hij was zich hier nog maar heel kort van bewust als hij, enkele stappen voor zich uit, een kronkelende slang zag verdwijnen in het halflange, frisgroene gras. Verbaasd door een uitblijvende reactie van zijn geklauwde waakhond zag Zezein toen wat er alle aandacht van Garuda in beslag nam. Op een krachtige steenworp voor hen beschreven twee sierlijke zwarte panters een cirkelbeweging rond een reusachtige appelboom. Mooi symmetrisch slopen de katachtige hun rondjes; haast volledig synchroon, met de grote alleenstaande vruchtenboom als middelpunt.
Zezein knipperde met de, aan de duisternis gewende, ogen; om hun lenzen af te stellen op het felle zonlicht, dat een verblindende kracht bezat. Een traan geleide het laatste onthechte lichaamshaartje langs zijn rechterwang tot op de onderlip; alwaar het druppeltje vocht even rustte, zijn ballast afzette op de droge mond; en zich toen ter aarde stortte. Zezein bracht de linkerhand boven zijn ogen en verruimde zo zijn blikveld in de diepte. En hij zag toen dat er in werkelijkheid drie katten op het toneel waren.
Allemachtig! In de koelte van de appelboom; goed afgeschermd tegen de zon, maar tezelfdertijd de vruchten proevend van deze lichtbron; daar zat zij, onverklaarbare pracht; praal van de nacht. O eerste Vrouw!
En zij had Zezein al een hele poos zitten begluren; toen ze hem plotseling, met strekkende armen, uitnodigde om van haar schaduw te genieten.
Haar zwarte lijfwachten reageerden op dit signaal door hun machtige kattenlijven statig recht te stellen; zodat de wereld een ogenblik versteende. Stil was het leven, doch maar voor heel even; want Zezeins hart, dit stuwde hem vooruit; recht op wat het zijn een zin zou geven; de wortels waren al gevonden; wat zijn takken nu behoefden, was: fruit.
Terwijl Garuda de vleugels wat strekte, bereikte Zezein het paradijs. De eerste Vrouw verwelkomde hem met een poeslieve glimlach en ze reikte de blozende man een grote rode appel. Met grote, groene ogen keek ze een beetje schuin hoe hij proefde van het zoete sap van deze rode, hemelse vrucht.
O Zezein; sprak zij uiteindelijk; de jongste nacht heeft mij jouw komst voorspeld. Ze heeft een diepblauwe ster uit haar dijende kruin geplukt; en die wonderbaarlijk naar mij toegeworpen; om de eerste Vrouw met lichtspel te behagen. Spelen; dàt wil ik, ter loochening van ‘t verdriet. Wees mijn spel Zezein, een muis die ik teder dood wil tergen. Om dan te pronken met het zielloze lijfje, bij al wat ogen bezit; en mijn verschijning ziet. Na het uitspreken van dit laatste streelde ze haar kersenrode lippen met de scherpe tong; terwijl haar diepgroene parels de naakte aap hypnotiseerden, als twee glimmende dwaallichten in de schaduw van de oorspronkelijke stamboom der mensenstammen.
Toen gebeurde het, daar onder de boom der bomen, dat verliefdheid op de eerste Vrouw over Zezein viel. Hij erkende het gevoel als liefde, en moest welhaast concluderen dat het lot hem had gevonden. Sprak de goede fee dan toch waarheid? De tol van het lot was weliswaar dat zijn vrijheid zou gaan vliegen als een vogel, daar was Zezein zich al meteen helder van bewust. Maar kon een eenvoudige mens eigenlijk wel ongestraft zoiets als vleugels ambiëren? De vogel was dus voor de kat; de mens werd mens; de eerste Vrouw en Zezein vleiden zich tegen elkaar aan en ze spinden een hele poos…
Aan het lieflijke tafereeltje kwam abrupt een einde toen Zezeins oor plots door een verschrikt gebalk van het snoezige gesnor werd afgeleid. Niet zo heel ver voor zijn neus hapte het noodlot toen heel sluw toe; doch, het ving deze keer slechts droge lucht. In drie blikken met zijn ogen toonde de schoonheid hem haar scherpe tanden.
Zezein zag dat een ezel op het toneel was verschenen. Hij had er het raden naar waar het dier vandaan kwam, en hoe lang het zich al binnen zicht bevond; maar het was er duidelijk aan te merken dat de koppigaard zo snel mogelijk terug naar het achterplan wou verdwijnen.
Zezein zag dat de scherpziende ezel opgeschrikt was geworden omdat één van de twee zwarte katten haast onopmerkelijk haar strijdplan had geactiveerd. Het als dusdanig geboren roofdier zag in Garuda een malse, mak gemaakte brok wild. Schijnheilig had het daar al die tijd heel voldaan lui liggen te wezen; maar op een ingedommeld moment achtte het zijn kansen schoon; ongemerkt en ongehinderd was de rover tot op één kleine sprong van zijn prooi genaderd. Toen kwam het grote muildier de onachtzame arend dus als zijn reddende engel toesnellen, door met luid gebalk dreigend te wijzen op de bedreigde situatie waarin zijn vleugels zich bevonden.
Zezein zag dat het prooidier, dat zichzelf graag als roofvogel laat betitelen, zijn leven aldus te danken had aan een grijzig lastdier. De arend vloog nu springlevend op in de diepe lucht; hoog boven de briesende zwarte kat, die hem vol nijd in de ogen nakeek.
Het bijna noodwendige karakter van deze, binnen zijn bikveld ontplooide, natuurwet bezorgde Zezein koude rillingen. Hij stond op en eiste een dialoog onder vier mensenogen: over de toekomst van hun samen- zijn. Op dit korte crisisberaad werd éénzijdig beslist dat Zezein uit de hof van Eden werd verbannen. Zijn uittrede werd vergezeld van volgende afscheidsrede.
Je bent alleen Zezein, enkel aangewezen op jezelf. Eén- zaam zaad, voer voor vogels.
Zezein richtte zijn blik statig tot de eerste schone schijn; en hij sprak: Jij bent té veel voor deze eenvoudige geest, O eerste ziel. Ontstaan uit een teveel aan psychologie. Alles wou ik voor jou doen. Maar ik kan niet ophouden met leven; en mij enkel nog laten beleven. Een lastezel wil Zezein wel wezen; maar jouw blinde mol kan ik niet zijn, die moet je zien te vinden in een ander hol!